Espanoles, minicursus Spaans
 
Minicursus Spaans    
Het is natuurlijk altijd handig om alvast een aantal standaard zinnetjes in het Spaans te kennen, zodat je jezelf enigszins kunt redden.    
     
Vlucht
1. Waar moet ik inchecken?

¿Dónde está el mostrador de facturación?

2. Is er vertraging?

¿Hay retraso?

3. Wat is de verwachte aankomsttijd?

¿Cuál es la hora de llegada anunciada?

   
     
Trein
1. Mijn eindbestemming is ...

Mi destino final es …

2. Mag mijn rugzak in de kofferbak?

¿Puedo poner mi mochila en el maletero por favor?

3. Wilt u mijn baggage meenemen?

Podría llevar mis maletas?

4. Een enkele reis naar … alstublieft.

Un billete de ida a … por favor.

5. Een retourtje naar … alstublieft.

Un billete de ida y vuelta a … por favor.

6. Gaat deze bus naar …?

¿Este autobús va a …?

7. Wilt u mij een seintje geven als ik er uit moet?

Puede indicarme dónde tengo que vajar por favor?

   
     
Bij het gastgezin
1. Hallo, ik heet …

Hola, me llamo …

2. Wat eten we vandaag?

¿Qué vamos a comer hoy?

3. Hoe laat gaan we eten?

¿A qué hora vamos a comer?

4. Wilt u mijn kleren wassen?

¿Podría lavar mi ropa por favor?

5. Heel erg bedankt voor alles!

¡Muchas gracias por todo!

   
     
In de winkel
1. Hoeveel kost het?

¿Cuánto cuesta?

2. Ik wil graag een postzegel hebben.

Quería un sello por favor.

3. Is er een internetcafé/supermarkt in de buurt?

¿Hay un cybercafé/supermarcado por aquí?

4. Ik heb in de etalage iets gezien. Zal ik het aanwijzen?

He visto algo en el escaparate. ¿Se lo enseño?

5. Ik heb maat … in Nederland/België.

En Holanda/Bélgica tengo el número …

6. Mag ik dit passen?

¿Me lo podría probar?

   
     
In een restaurant
1. Graag een tafel voor 2 personen.

Querría una mesa para dos personas.

2. Eetsmakelijk!

!Qué aproveche!

3. Wat is dit?

Qué es esto?

4. Ober, de rekening alstublieft!

¡Camarero, la cuenta por favor!

   
     
Politie

1. Waar is het politiebureau?

¿Dónde queda la comisaria?

2. Mijn papieren/bagage is/zijn gestolen.

Me han robado los papeles/el equipaje.

3. Ik ben verdwaald.

Estoy perdido/perdida.

4. Kunt u mij de weg vertellen naar … ?

¿Puede indicarme el camino a … ?

   
     
Overig
1. Waar kan ik hier ergens bellen?

¿Dónde puedo llamar por teléfono?

2. Heeft u het adres/telefoonnummer van de dokter?

¿Tiene la dirección/el número de teléfono de un médico?

terug naar boven